
is een richtlijn uit de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB) die drie concrete doelen stelt voor 2030: minstens 30% van de nieuwbouwwoningen wordt gerealiseerd met 30% of meer biobased materialen, minstens 30% van de isolatie voor verduurzaming wordt uitgevoerd met biobased materialen, en minstens 30% van de gebruikte materialen voor utiliteitsbouw is biobased. Deze drie doelen samen geven richting aan de transitie naar een duurzame bouweconomie en helpen opdrachtgevers en architecten om concrete keuzes te onderbouwen.
Conventionele bouwmaterialen zoals beton, staal en kunststof zijn energie-intensief in de productie en laten een grote CO2-voetafdruk achter. Dat kost je niet alleen op milieugebied, maar ook financieel: de energieprestaties van het gebouw zijn lager, de exploitatiekosten lopen op en steeds strengere regelgeving kan je dwingen tot dure aanpassingen achteraf. Een concrete stap die je kunt zetten, is het materiaalgebruik al in de ontwerpfase te beoordelen op herkomst en CO2-impact, zodat je niet achteraf voor verrassingen komt te staan.
Veel opdrachtgevers willen duurzamer bouwen, maar zonder concrete normen blijft het bij goede intenties. De 30-30-30-regel geeft je iets om op te sturen: een percentage biobased materialen in nieuwbouw en utiliteitsbouw, en een concreet aandeel biobased isolatie bij verduurzaming. Zonder zulke meetpunten is het lastig om offertes te vergelijken, aannemers te briefen of resultaten te verantwoorden aan stakeholders. Door de regel als uitgangspunt te nemen, maak je duurzaamheid bespreekbaar en controleerbaar.
De 30-30-30-regel is belangrijk voor de bouwsector omdat hij een concrete, meetbare norm biedt voor duurzaam circulair en biobased bouwen. De bouwsector is verantwoordelijk voor een groot deel van de CO2-uitstoot en het grondstoffengebruik in Nederland. Zonder heldere normen blijft verduurzaming vrijblijvend. Deze regel geeft opdrachtgevers, architecten en aannemers een gezamenlijke taal en een toetsbaar doel.
De bouwsector staat onder toenemende druk van overheidsbeleid, klimaatdoelstellingen en marktfactoren. Gemeenten stellen steeds vaker biobased eisen bij vergunningverlening, en financiers kijken naar de duurzaamheidsprestaties van een gebouw bij het verstrekken van leningen. Door de 30-30-30-regel als leidraad te gebruiken, positioneer je een project al vroeg goed in die context.
Daarnaast heeft de regel een praktisch voordeel: hij dwingt tot bewuste materiaalkeuzes. In plaats van standaard te kiezen voor beton of kunststof, ga je actief op zoek naar biobased alternatieven zoals vlas, hennep, olifantsgras of stro. Dat leidt tot betere gebouwen die langer meegaan, minder onderhoud vragen en over de volledige levenscyclus een lagere milieubelasting hebben.
Biobased materialen zijn materialen die geheel of grotendeels afkomstig zijn van hernieuwbare biologische bronnen, zoals planten, bomen of landbouwreststromen. Voorbeelden zijn hout, stro, hennep, vlas, schapenwol en cellulose. Deze materialen tellen mee in de berekening van het biobased aandeel van een gebouw.
Binnen de 30-30-30-regel gaat het niet alleen om dragende constructies, maar ook om isolatiemateriaal, afwerking en installaties. Biobased isolatie van bijvoorbeeld hennep of stro telt net zo goed mee als een houten draagstructuur. Het totale gewicht of volume aan biobased materialen wordt afgezet tegen het totale materiaalgebruik van het gebouw.
Sommige materialen vragen om extra aandacht. Gemodificeerd hout, geïmpregneerd hout of composietmaterialen met een biobased basis tellen soms slechts gedeeltelijk mee, afhankelijk van de gehanteerde definitie. Het is nuttig om bij de start van een project te bepalen welke norm of berekeningsmethode je hanteert, zodat iedereen in het bouwteam dezelfde uitgangspunten gebruikt.
Biobased bouwen richt zich op de herkomst van materialen: ze moeten afkomstig zijn uit hernieuwbare biologische bronnen. Circulair bouwen richt zich op wat er aan het einde van de levensduur met materialen gebeurt: ze moeten hergebruikt, gedemonteerd of teruggewonnen kunnen worden. De twee begrippen overlappen, maar zijn niet hetzelfde.
Een gebouw kan biobased zijn zonder circulair te zijn: als je hout gebruikt dat verlijmd is met niet-herbruikbare lijmen en niet meer te demonteren valt, is het biobased maar niet circulair. Andersom kan een gebouw circulair zijn met materialen die niet biobased zijn, zoals staal dat volledig wordt hergebruikt.
De sterkste aanpak combineert beide: materialen die biologisch van oorsprong zijn en tegelijkertijd zo ontworpen zijn dat ze aan het einde van hun gebruiksduur opnieuw ingezet kunnen worden. Dat vraagt om bewuste detaillering, demontabele verbindingen en een goed materialenpaspoort. De 30-30-30-regel richt zich primair op het biobased aspect, maar sluit een circulaire aanpak niet uit; integendeel, hij sluit er goed op aan.
Ja, de 30-30-30-regel is toepasbaar op bedrijfspanden en utiliteitsgebouwen. De richtlijn stelt expliciet dat minstens 30% van de gebruikte materialen voor utiliteitsbouw biobased moet zijn. Kantoren, productiehallen, zorginstellingen en andere zakelijke gebouwen kunnen allemaal worden ontworpen en beoordeeld op basis van dit criterium.
Voor zakelijke opdrachtgevers biedt de 30-30-30-regel een extra voordeel: hij geeft richting bij aanbestedingen en vergunningstrajecten. Steeds meer gemeenten en provincies vragen bij nieuwbouwprojecten om een biobased paragraaf in de aanvraag. Door de 30-30-30-norm als uitgangspunt te nemen, heb je een helder kader om dat gesprek te voeren.
Daarnaast speelt het imago van het gebouw mee. Een bedrijfspand dat aantoonbaar voldoet aan biobased normen communiceert iets over de waarden van de organisatie die erin huist. Dat is relevant voor medewerkers, klanten en partners die duurzaamheid steeds vaker meewegen in hun keuzes.
Je begint met biobased bouwen door in de vroegste ontwerpfase een materiaalstrategie op te stellen die de criteria van de 30-30-30-regel als toetsingskader gebruikt. Dat betekent: bepaal welke materialen je wilt inzetten en stel een biobased aandeel vast dat aansluit bij de doelstellingen voor jouw type gebouw, voordat de eerste tekening wordt gemaakt.
Een concreet startpunt is het opstellen van een biobased materiaallijst voor het project. Daarin bepaal je per bouwonderdeel welk biobased alternatief beschikbaar is en wat de technische en financiële haalbaarheid is. Zo zie je snel waar het biobased aandeel van 30% realistisch te halen valt en waar je extra keuzes moet maken.
Het is nuttig om een architect met ervaring in duurzaam bouwen te betrekken die ervaring heeft met biobased bouwtechnieken. De keuzes die je in de ontwerpfase maakt, hebben direct effect op de haalbaarheid van de 30-30-30-norm en op de uiteindelijke bouw- en exploitatiekosten.
Wij begeleiden opdrachtgevers van het eerste idee tot en met de oplevering van biobased gebouwen, zowel voor woningen als bedrijfspanden. Onze aanpak is concreet en gericht op haalbaarheid: we vertalen de doelstellingen van de 30-30-30-regel naar een werkbaar ontwerp dat past bij jouw budget, programma en locatie.
Wil je weten hoe biobased bouwen er voor jouw project concreet uitziet? Neem contact op voor een vrijblijvend gesprek. We denken graag met je mee over de mogelijkheden, en je kunt ook onze ervaringen van eerdere opdrachtgevers bekijken.
FD architecten helpt u graag om uw perfecte plek te realiseren. Wilt u geholpen worden bij het maken van een plan voor uw nieuwbouw, verbouw of verduurzaming? Neem dan contact met ons op! U kunt ons bereiken via: 0135159331, info@fdarchitecten.nl
Langs komen bij ons op kantoor in De Moer kan natuurlijk ook altijd. Maak wel van tevoren een afspraak.